Persbericht Nederlands Dagblad 11-09-2007


'We zullen hem wel vetmesten'
door onze redacteur Hans Hopman

In de hongerwinter in 1944 en 1945 zijn duizenden kinderen vanuit het westen geëvacueerd naar het oosten en noorden van ons land. In Hasselt en Coevorden vindt deze week een weerzien plaats van een aantal van deze kinderen en hun opvanggezinnen.


HASSELT - ,,Ik kan me die suikerbieten en tulpenbollen nog goed herinneren. Een tulpenbol smaakte min of meer naar een aardappel. Ik vond ze veel lekkerder dan suikerbieten met hun weeë geur, die bovendien erg scherp van smaak waren. Ik kreeg er een zere keel van.'' Aan het woord is Amsterdammer Hans Hogerheijde (71), die als kind in de oorlog gekookte tulpenbollen moest eten uit voedselgebrek.

Hogerheijde behoorde tot de gelukkigen. In de hongerwinter van 1944/45 kon hij per aak naar het oosten van het land. Hoewel zijn ouders hem met pijn in het hart afstonden ,,was het voor ons één groot avontuur'', vertelt hij. Maandag kwam de Nederlandse immigrant uit Australië overgevlogen om de komende dagen kennis te maken met de opvanggezinnen van weleer. Hoger-heijde kwam van begin maart tot begin juli 1945 terecht bij het jonge echtpaar Arkema in Coevorden. Vel over bot kwam hij aan. De gemeentelijke gezondheidsdienst in Amsterdam had hem niet voor niets bij een keuring de kwalificatie 'zeer dringend' gegeven.

Weinig bekend
Ook in Hasselt en omgeving zijn in die hongerwinter honderden kinderen liefdevol opgenomen. Maar er is eigenlijk heel weinig bekend over aantal, omvang en opvang, weet Minie Buit van de lokale historische Vereniging. Ze wil over dit onderwerp gaan schrijven. ,,Het valt tegen om aan informatie te komen. De kindertransporten werden mede georganiseerd door het Interkerkelijk Beraad, maar ik heb er geen archief van kunnen vinden.''

Door Hans Hogerheijde, die morgenavond in het oude stadhuis in Hasselt zijn oorlogsbelevenissen komt vertellen, hoopt Buit dat er meer verhalen los komen.

Ook Bé van der Weide uit Coevorden wil in contact komen met opvangfamilies of de nazaten daarvan. Zijn grootvader kwam om bij een bombardement in dit vestingstadje, waardoor de oorlog hem is gaan boeien. Met zijn website www.herdenking.nl geeft hij bekendheid aan de lokale oorlogsgeschiedenis. Hij wil meer verhalen boven water krijgen. Daarom is hij zaterdag ook de initiatiefnemer van een weerzien van 'hongerkinderen' met hun opvanggezinnen, in het Stedelijk Museum Drenthe's Veste.

Hogerheijde zegt uit Australië een zak knikkers mee te hebben genomen voor de reünie: ,,Ik heb een afspraak gemaakt met m'n vroegere vriendje, met wie ik altijd voor het Weeshuis knikkerde. We gaan dat weer even doen.''

Niet bang

Als achtjarig Amsterdams jochie werd hij, samen met zo'n tachtig andere kinderen, 's nachts in een onverlichte aak ingescheept. Het konvooi van twee schepen ging via het IJsselmeer naar het oosten. De schepen liepen kans gebombardeerd te worden door geallieerde vliegtuigen. ,,Als er een vliegtuig overkwam, moesten we stil zijn. Anders zouden ze ons horen. Nou, dat zal wel meegevallen zijn.'' Angstig is hij nooit geweest. ,,Ik was te jong om het gevaar daarvan in te zien. Zo zochten we in de Spaarndammerbuurt waar ik opgroeide, altijd naar granaatscherven en hulzen van afgeschoten munitie. Ze moesten mij léren om bang voor bommen te zijn.''

De aken meerden eerst aan bij de 'kaai' in Hasselt. Maar dit was niet zijn eindbestemming. Na twee dagen wachten ging de tocht naar Coevorden. Vanuit een gebouwtje op de markt werd hij pas laat opgehaald. ,,Ik was luthers. Ze hebben eerst geprobeerd een luthers gezin te vinden, maar dat lukte niet'', verklaart hij het lange wachten. Uiteindelijk kwam hij bij de Arkema's terecht, een pas getrouwd vrijzinnig-hervormd echtpaar. ,,Ik hoefde niet naar de zondagsschool. Bovendien gingen ze 's zondags nooit naar de kerk. Niet dat ik dat zo erg vond. Ik heb het idee dat zij er meer mee zaten dat ze mij geen religieuze opvoeding hebben gegeven. In een brief aan mijn ouders verontschuldigden ze zich daar een beetje voor. En toen later de heer Arkema hem op 75-jarige leeftijd weer opzocht, kwam ook hij daar op terug.''

Luilekkerland

Coevorden betekende een ,,luilekkerland'' voor het achtjarige stadsjochie. ,,Ik begreep niet dat er opeens zoveel eten beschikbaar was. Ik kon zoveel nemen als ik wilde.'' In de eerste, via het Rode Kruis aan zijn ouders verstuurde brief, schreven de Arkema's 'moedgevend': 'We zullen hem wel even vetmesten.' Gebakken spek en pannenkoeken met stroop zijn de lekkernijen die hem vooral te binnen schieten.

Verder genoot hij een enorme vrijheid: niet naar school en dagenlang hutten bouwen, proppenschieters maken van vliertakken, indiaantje spelen, voetballen en slootje springen.

Van heimwee zegt hij geen last te hebben gehad. Op die ene keer na. ,,Dat was toen mijn grootvader overleed, die bij ons in Amsterdam een paar huizen verder woonde. Dat gaf me erg veel verdriet, want ik was zeer op hem gesteld.''